Anderhalvelijnszorg is de onvermijdelijke volgende stap in de Nederlandse zorg. Tenminste als we de deskundigen op dit vlak mogen geloven. Uit nieuwsgierigheid naar, maar ook vanuit de drive om veranderingen in de zorg mee vorm te geven, organiseerde ik onlangs een themabijeenkomst: ‘Anderhalvelijnszorg: de pilotfase voorbij?’ Met een volle zaal bleek de belangstelling voor dit onderwerp groot. En dat is op zich natuurlijk begrijpelijk. We spreken al jaren over onhoudbare zorgkosten, toenemende vergrijzing en daarbovenop duurdere behandelmethoden. Je hoeft geen genie te zijn om te begrijpen dat de huidige situatie schreeuwt om verandering. Anderhalvelijnszorg lijkt een goede oplossing.  Maar waarom komt het dan toch niet echt van de grond? Waarom blijft het ‘in de lucht’ hangen? Zijn we zo langzamerhand niet de pilotfase voorbij?

 Kwaliteit tweedelijnszorg tegen lage eerstelijnskosten; en ‘mijn’ belangen dan?

Anderhalvelijnszorg - een neologisme waarvan de bedenker die avond overigens één van de sprekers is  - is een term die de laatste jaren steeds meer in zwang raakt, als het gaat over een redelijk alternatief om zorgkosten te reduceren. Het klinkt logisch: de kwaliteit van dure tweedelijnszorg voor de lage eerstelijnskosten. Daar kunnen we als land natuurlijk geen nee tegen zeggen.  Maar laten we wel wezen: het huidige zorgstelsel, wat je er ook van vind, is ook niet op een vrijdagnamiddag tot stand gekomen en beslaat een ongelofelijk aantal uiteenlopende belangen. O ja, dat is ook zo: die belangen. Verschillende belangen; als dat een olympische discipline was dan deed Nederland steevast mee voor het medailleklassement. Belangen van huisartsen en medisch specialisten op persoonlijke titel, want zij moeten het uiteindelijk gaan doen,  zorgverzekeraars, LHV, De Federatie, Ineen, ZN, VWS, NVZ, STZ, Nza om maar enkele te noemen. Uiteindelijk zullen de bonden er ook bij betrokken raken, want het gaat hoe dan ook de werkgelegenheid beïnvloeden.

 Meer zorg buiten het ziekenhuis: hoe organiseer je dat?

Maar goed, laten we de stand van zaken bekijken. Vertegenwoordigd waren ziekenhuizen, de nieuwe generatie medisch specialisten, een actieve anderhalvelijns huisarts en een eerstelijns bestuurder.

In grote lijnen is men het er over eens, dat het huidige model onhoudbaar is en dat anderhalvelijn de toekomst heeft. De kosten kunnen echt omlaag dat is al aangetoond. Felix van der Wissel heeft een anderhalvelijnscentrum en spreekt dus uit ervaring als hij zegt, dat door meer zorg buiten het ziekenhuis te bieden het aantal verwijzingen fors terugloopt en meerdere ingrepen en behandelingen tegen lagere kosten kunnen. Hij ziet een model voor zich, waar enerzijds de huisarts zelf meer kan op sommige gebieden dan nu, en anderzijds medisch specialisten werkzaam zijn in zijn praktijk.

 Zit de medisch specialist van de toekomst nog wel vast aan een ‘huis’?

Dat past ook redelijk in het toekomstbeeld van Marjolein Kremers, bestuurslid van De Jonge Specialist. Waar de medisch specialist oude stijl vast lijkt te zitten aan één ziekenhuis, ziet de jonge generatie het ook wel voor zich om op verschillende plaatsen te werken óok buiten het ziekenhuis. Of de term anderhalvelijn ook voorkomt in het nog te verschijnen visiedocument Medisch Specialist 2025 blijft vooralsnog onzeker, maar daar zal Kremers zich zeker voor hard maken.  Fenna Heyning, internist-hematoloog en directeur STZ ziekenhuis ziet een soortgelijk toekomstbeeld. Wellicht dat de opmerking “de medisch specialist moet een zwerver worden”  van Van der Wissel voor haar wat ver ging, maar ook zij onderkent de trend waarbij een specialist een vastere relatie met zijn (super)specialisme zal krijgen dan met ‘zijn huis.’ Het gaat uiteindelijk om de geleverde zorg. En nu blijkt dat diezelfde zorg goedkoper dichterbij de patiënt geleverd kan worden, zal dat een verschuiving gaan opleveren. Men is het er echter over eens, dat het werk van de medisch specialist hierdoor leuker en afwisselender zal worden. Die geluiden komen ook terug uit de eerste proeftuinen. Overigens loopt Nederland internationaal gezien zeker niet in de voorhoede op dit gebied, dus we kunnen veel leren van de landen om ons heen .

Financiële gevolgen de rem op het proces?

Tot zover een logisch verhaal: we hebben hier al een win-win-win-win te pakken: de zorg wordt goedkoper, de huisartsen zijn positief,  de patiënt profiteert want dichter bij huis, de (toekomstige) medisch specialist ziet het ook wel zitten.  “Waarom gebeurt het dan nu nog niet op grote schaal”, zou je zeggen. Dat ligt, zoals vaker in de zorg, onder andere bij de financiële paragraaf. Zonder te ver de diepte in te gaan, hebben we nog steeds te maken met twee gescheiden financiële systemen voor de eerste en de tweede lijn. Echter als ik door mijn wimpers naar de toekomst kijk, lijkt het niet zo moeilijk. Als we meer zorg buiten de tweede lijn gaan bieden, dan zal er geld uit het potje van de tweede lijn naar de eerste lijn moeten. Niet een beetje, maar een heleboel. Ook hiervoor hoef je geen rekenwonder te zijn. Is dat erg? Nou dat lijkt mij niet, want er zullen ook meer dokters buiten het ziekenhuis gaan werken dus die reizen samen met het budget mee het ziekenhuis uit. “Ja, maar als we laagcomplexe zorg uit het ziekenhuis halen, dan gaat de overhead per patiënt/verrichting in de ziekenhuizen omhoog”, aldus Heyning. De vraag die vervolgens rijst, is even logisch als verontrustend voor sommigen. Want, als dat zo is, moeten we dan als Nederland niet eens haast gaan maken met het reduceren van het aantal ziekenhuizen? Dan blijft er per ziekenhuis meer geld over, waardoor de kwaliteit in de overblijvende ziekenhuizen (wat verder van de patiënt) omhoog kan. Tegelijkertijd gaat de kwaliteit en het aanbod van zorg in de eerste lijn (dichterbij de patiënt) ook omhoog. Als dat geen win-win is, wat dan wel?

 Wie staat op en gaat de anderhalvelijnskar trekken?

Moeten we dat dan niet ook aan de patiënt vragen? Het antwoord hierop, mede uit de zaal,  luidt: “wat de patiënt wil, dat  weten we natuurlijk eigenlijk zelf wel. Want ‘die patiënt’ dat zijn we uiteindelijk  zelf. We willen de beste zorg zo dicht mogelijk bij huis voor de laagste prijs.” En nu aan de deskundigen de schone taak om die vorm te bedenken, die hierbij het dichtst in de buurt komt en  vooral ook toekomstbestendig is. Paulien van Hessen, arts Maatschappij en Gezondheid en bestuurder van een grote eerstelijnsorganisatie, legt de vinger op die andere zere plek in deze ontwikkeling. Zij stelt de simpele vraag: “Wie gaat deze kar trekken? Wie heeft of krijgt hier tijd voor, lees budget? En aan wie vertrouwen we die trekkersfunctie toe, wie krijgt in de regio hiervoor mandaat? “ Anderhalvelijnszorg, het is een logisch verhaal, het lijkt onvermijdelijk en natuurlijk zijn er hobbels op de weg. Maar hobbels kunnen genomen worden, als iemand er maar aan blijft trekken.

Maar vooralsnog blijft het op dit vlak opvallend stil. Waar blijven de manifesten, de toekomstvisies met roadmaps van de beroepsverenigingen om anderhalvelijnszorg vorm te geven?

 Zijn we in staat om ‘mijn’ belang te ontstijgen en samen ons aller belang te dienen?

We weten dat het er aan zit te komen, maar wie zet de eerste stap? Wie durft kritisch naar zichzelf te kijken en wellicht in eigen vlees te snijden? O ja, daar zijn ze weer: verschillende belangen. De ziekenhuizen lijken geen garen te spinnen bij deze ontwikkeling, dus of hier het initiatief vandaan zal komen valt te betwijfelen. De beroepsverenigingen dan? Of wordt het weer een revolutie van onderaf? Net als het ontstaan van de huisartsenposten vijftien jaar geleden, geïnitieerd vanuit het veld. En blijkt straks dat we hier helemaal geen koepels voor nodig hebben, als we maar gewoon lekker gaan doen in plaats van praten. Ik moet plots denken aan één van mijn favoriete quotes: ‘Kies of wordt gekozen’ of één stapje verder ‘Heb een plan, of wordt onderdeel van iemand anders’ plan’. Zou het toch niet gewoon zo simpel kunnen zijn? We hebben met zijn allen toch uiteindelijk hetzelfde belang, namelijk de best mogelijke zorg tegen zo laag mogelijke kosten. Als er nu een mogelijkheid ligt om de kwaliteit van zorg, zowel in de eerste lijn als in de tweede lijn, te verhogen en dat loopt parallel met een beheersbaar kostenmodel, dan kan niemand daar tegen zijn toch? Als alle partijen hun eigen belang zouden kunnen ontstijgen en we scharen ons collectief achter dat ene belang, ons aller belang, dan moeten wij toch durven zeggen, met de woorden van onze grote buurvrouw : “Wir schaffen das!” Nu maar hopen dat de minister samen met de zorgverzekeraars de geldstroom op tijd kan meebuigen, om dit tere plantje op tijd water te geven zodat het op natuurlijke wijze en op de juiste snelheid kan blijven groeien tot een mooie robuuste ‘Anderhalve-boom’.

Wilt u op dit blog reageren? Wij nodigen u uit uw mening met ons te delen. Dit kan door via het blog op LinkedIn uw reactie openbaar te plaatsen of rechtstreeks via een persoonlijk bericht aan Vincent de Schepper.